menu

Wieringen was weliswaar een hoger gelegen eiland maar toch kreeg het vanaf de 11e eeuw in toenemende mate te maken met overstromingen. De kronieken spreken elkaar enigszins tegen, maar het is aannemelijk dat de rampzalige Allerheiligenvloed van 1170 van Wieringen en Texel eilanden maakte. Door deze en volgende overstromingen kwam er een eind aan een eeuwenlange bewoning van het gebied tussen Wieringen, Texel en Callantsoog (o.a. de Anna Paulowna polder, de Wieringerwaard en het Balgzand). De bewoners die gespaard bleven zagen zich genoodzaakt dijken aan te leggen. Eerst niet veel meer dan stapels van plaggen, maar al spoedig bleken dergelijke dijkjes niet stevig genoeg. Als verbetering werd de wierdijk uitgevonden. Een dijk van wier had als voordeel boven een aarden dijk dat het gedroogde wier onder druk samenpakte tot een harde massa die veel minder te lijden had onder afslag. In een document uit 1319 is voor het eerst sprake van een "woerdiic". De praktijk moet al veel ouder zijn, aangezien in het verdronken land ten noorden van Wieringen restanten van wierdijken zijn gevonden. De muurresten die in de 17e eeuw worden gevonden op het wad en aanleiding geven tot wilde verhalen over een verdronken stad genaamd Grebbe zijn waarschijnlijk verkalkte wierdijkresten.

De bouw van een wierdijk

doorsnede van de wierdijk nabij De Hoelm Middeleeuwse (wier)dijken hadden een heel andere opbouw dan de tegenwoordige dijken. Het meest zichtbare verschil is de glooiing. De wierdijken waren meer als een muur gebouwd. Aan de zeekant was een laag van samengeperst wier aangebracht, meestal ca. 2 meter hoog en 2 meter breed. Aan de landzijde werd de wiermuur ondersteund door een brede aarden wal en aan de zeezijde werd de wierriem, zoals deze werd genoemd, op zijn plaats gehouden door palen die in de bodem werden geslagen.
Hoewel het zonder twijfel een verbetering was ten opzichte van de oude aarden dijkjes had de wierdijk ook zo zijn nadelen. Ten eerste slonk de wiermassa continu door inklinking zodat de dijk steeds moest worden opgehoogd. Bovendien, en dit was veel erger, was de dijk door zijn steile vorm kwetsbaar voor ondermijning door de golfslag. Alleen als er nog een flinke hoeveelheid buitendijks land was dat de ergste kracht van de golven opving konden de steile dijken overleven. Helaas verdween bij elke stormramp meer buitendijks land totdat de dijken echt de waterkering werden. Na verloop van tijd konden de golven de grond onder een stuk dijk wegslaan, waarna de wierriem losscheurde van de rest van de dijk. Door de onderlinge samenhang gingen dan honderden meters tegelijk aan de rol en zat er niets anders op dan het hele dijkvak te vernieuwen. Het wier voor de bouw van de dijken viste men op van de waarden of men verzamelde het langs de dijken, waar losgeslagen wier aanspoelde. Hierover meer in het volgende hoofdstuk.

Het einde van de wierdijken

In 1570 was er weer een rampzalige stormvloed, door een vreemd toeval weer op 1 november, Allerheiligen. Het moet een ramp zonder weerga zijn geweest met overstromingen waarbij de Watersnoodramp van 1953 volledig in het niet valt. Sommige bronnen uit die tijd schatten het aantal slachtoffers op 100.000. Hoeveel het er werkelijk zijn geweest valt natuurlijk niet meer te achterhalen maar de verslagen van de vergadering van de Staten van Holland van 18 november 1570 spreken boekdelen: nagenoeg geheel Holland (plus Zeeland en Friesland) staat onder water en slechts een zesde deel van Holland had niet met dijkbreuken te maken gehad. In de vergaderingsverslagen van 16 februari 1571 wordt vermeld dat alle dijken op Wieringen zijn bezweken.

In die tijd worden alle dijken nog volgens het hierboven beschreven principe gebouwd. Maar na een opeenvolging van stormrampen stapt men in de rest van de lage landen langzaam af van de wierdijken en gaat men over op minder steile dijken met steentalud. Deze overgang werd bespoedigd door de komst van de paalworm. Vanaf het eind van de 16e eeuw kreeg men te maken met dit ongedierte dat de palen die werden gebruikt om de dijken te verankeren ru´neerde. Door de afgelegen ligging van Wieringen waren de dijken van Wieringen lange tijd gespaard gebleven, maar aan het eind van de 18e eeuw was er geen houden meer aan. De staat van de dijken was zo slecht, door de paalworm en achterstallig onderhoud, dat ze vervangen werden (zie het reisverslag van Pieter van Cuijck). Aan de noordzijde werden geheel nieuwe dijken aangelegd. Aan de zuidkant van het eiland, de luwe kant die bovendien door de waarden nog enigszins beschermd werd, volstond men met het inpakken van de oude wierdijk met een extra laag aarde en steentalud. Om deze combinatie van redenen is de Wieringer wierdijk als enige in Holland bewaard gebleven. Sinds 1986 is de dijk een provinciaal monument.

Foto's

De wierdijk aan de zuidkant van Wieringen bij De Hoelm.

Een foto uit 1924 van een wierhoofd (golfbreker) bij De Haukes.
Ooit waren er 17 van deze wierhoofden.


Links
enige foto's van de wierdijk

het reisverslag van Pieter van Cuijck, waarin hij vertelt over de slechte dijken

het verhaal van de verdronken stad Grebbe

Wier - Wieringen?      Wiermaaien
© Pagowirense.nl 1997-2003
naar begin van pagina
Kixtart.nl ||| start / English | geschiedenis | legendes | oude foto's | dorpen | volkslied | links | zoeken